Boek Kumtich

Vermits over Kumtich weinig gedrukte bronnen bestaan, heeft Kempeneers een groot aantal archiefstukken geraadpleegd.
Het resultaat is een degelijke studie over de plaatsnamen van het dorp.
Honderden vergeten plaatsnamen worden op kaarten weer zichtbaar. Uitgestorven gehuchten zoals Stratem haalden door dit werk opnieuw de stafkaarten van het Nationaal Geografisch Instituut.
Bovendien maakt de indeling in rubrieken het werk zeer leesbaar.
Verlucht met toponymische kaarten en fotoís.

U kan "Kumtich" bestellen via de website van dr. Paul Kempeneers.

Gele Mene en Vale Velp

De waterlopen in Kumtich behoren tot het stroomgebied van Demer en Gete. In de Atlas der Waterlopen, opgesteld in 1883 en vernieuwd in 1952, heeft men alleen oog voor de waterlopen van de gemeente zelf. Hierdoor merken we geen samenhang met de waterlopen die de gemeente overschrijden. De technische dienst van de provincie Brabant heeft echter alle waterlopen in kaart gebracht die op het grondgebied van de provincie voorkomen. Op deze wijze onderscheidt men een aantal hoofdbekkens, aangeduid met een hoofdgetal, gevolgd door drie decimalen. De Zenne krijgt het nummer 1.001, de Dijle 2.001, de Demer 3.001 en de Gete 4.001. Hoe hoger het getal, hoe kleiner de bijloop. Op kleinere schaal onderscheiden we twee bekkens: het bekken van de Velp in het noorden met waterlopen die beginnen met 3, en het bekken van de Mene in het zuiden met waterlopen die beginnen met 4. De waterscheidingslijn tussen deze twee bekkens loopt van Vissenaken naar Willebringen over een aantal "bergen". In 1883 tellen we 16 waterlopen, in 1952 14 (fig. 3).

Figuur 3: Het reliŽf van Kumtich met waterlopen en bronnen.
Figuur 3: Het reliŽf van Kumtich met waterlopen en bronnen.

De Mene is waterloop nummer 2 (Atlas) of 4.043 (Brabant). Deze beek ontstaat in Meldert door de samenvloeiing van twee Molenbeken, nr. 4.043 en 4.055. Over een grote afstand volgt de Mene de (vroegere) zuidgrens van Kumtich. In Tienen mondt ze, sedert de vergraving eind vorige eeuw, aan de Grote Spui aan de Getestraat in de Gete uit.

De oudste vormen in Tienen zijn: 14de eeuw ultra medoniam, ouer die medene. Om ze te onderscheiden van de Kleinbeek in de Grijpen (die dan Kleine Mene werd genoemd) trof ik Grote Mene aan. Zo bezat in 1706 Guilliam Hoffmans vijf dagmalen weide gelegen op de groote meen ende die clijne meen. Het bedoelde perceel is D 174, gelegen bij de uitmonding van de Kleinbeek in de Mene. In recente tijd heet de Mene ook wel Molenbeek (1847 De Molebeek RiviŤre).

De naam Medene is zeer oud en dus voor-Germaans. Hij is waarschijnlijk al ontstaan tussen 2000 en 1500 voor Kristus. Medene behoort tot de Oudeuropese namenschat. Welke taal in Kumtich in die verre tijd gesproken werd, weten we niet. De riviernaam, die ook bewaard is als de MŲhn in Trier, is een voorhistorische afleiding met een n-suffiks van een IndoŽuropese wortel medhu "honing". De naam kan dan betekenen "de honingkleurige" of "de gele" (fig. 4).

Figuur 4: De Mene ten zuiden van de Ziegelberg.
Figuur 4: De Mene ten zuiden van de Ziegelberg.

In tegenstelling tot samenstellingen als Oorbeek, is Medene een afleiding. Oorbeek was trouwens de oude benaming van een deel van de Mene, die later gebruikt werd als dorpsnaam. Oorbeek is samengesteld uit oor "kiezel, ijzerhoudend zand" en baki, dat zich ontwikkelt tot beek. Oorbeek behoort tot de Merovingische namenschat.

Op de Mene lagen drie watermolens: twee in Hoksem en een in Oorbeek. De molens van Hoksem waren slagmolens. De verdwenen Molen te Bijgaarden lag in de "laars" van Hoksem, dicht bij de wijngaard genoemd de Drakenberg: Hier lag ook het Hof te Bijgaarden. Deze molen wordt al in 1340 vermeld als de slachmoelen. In het dorp Hoksem ligt nu nog een slagmolen, met kadasternummer A 146f, op grondgebied Hoegaarden. Omdat hij een tijd lang eigendom was van de Tafel van de Heilige Geest, heet hij soms de Tafelslagmolen. Tenslotte vermeld ik de Molen van Oorbeek, gelegen op perceel B 4 onder Oorbeek.

Frankisch is ook de naam Velp, met als oudste vorm Felepa (741). In de Atlas is de Velp waterloop nummer 1, in Brabant nummer 3.015. De Velp is een bijrivier van de Demer en niet van de Gete. Op veel kaarten wordt de uitmonding van de Velp verkeerd aangegeven. Er is wel een verbinding, de Arm genoemd, tussen de Velp en de Gete. Maar de Velp buigt verder naar het westen of en loost dan haar water in de Demer.

De naam is samengesteld uit Germaans falwa "vaal", met verwijzing naar de vale of grijsgele kleur, en het watersuffiks apa, dat afsleet tot p. Gysseling (Handelingen 1982, 41) leidt Velp af van pelew "schitterend, vaal". Hieruit ontstond Pelwapa, nu Velp. Apa-namen waren vooral produktief bij de Franken. De meeste ontstonden rond 300 na Kristus.

Vroeger vormde de Velp de grens tussen Kumtich en Kerkom. Later volgde de Velp gedeeltelijk een andere loop. De oorspronkelijke rivier heet dan Oude Velp (1470 die oude welpe). Deze beek heeft in de Atlas nummer 10, in Brabant 3.111. Nu is de Oude Velp de voortzetting van de Breisembeek, die ontspringt in het Veerdaal.

De molens op de Velp liggen buiten Kumtich. De Heimolen (1340 heydmolen) of Molen van Roosbeek ligt aan de Velp onder Roosbeek. Eveneens aan de Velp, maar op grondgebied Kerkom, ligt de Molen van Bijvoorden.


Dr. P. Kempeneers.

Verschenen in de Brabantse Folklore nr. 280, dec. 1993, p. 312-340 en ook apart in 1994, 29 blz. Ook in: Publipers 1993.

© 2015 Edelhart Kempeneers
XHTML 1.0 Transitional